Je bekijkt nu Ik ben lekker fit! (Startactiviteiten)

Ik ben lekker fit! (Startactiviteiten)

In groep 3 starten we met een nieuw thema: Ik ben lekker fit! Om ons goed te oriënteren op het thema voeren we een aantal startactiviteiten uit. Ik vind het belangrijk om kinderen nieuwsgierig, enthousiast en betrokken te maken. Dit thema ligt dicht bij de belevingswereld van de kinderen.

Doordat elk kind uit de klas in ieder geval op zwemles zit/gezeten heeft kan iedereen meepraten vanuit de eigen ervaring. Veel kinderen zitten ook nog op een andere sport. Verder is het vrijwel altijd een succes om echte spullen mee te nemen.

Ook is het belangrijk meerdere startactiviteiten te doen om zo te ontdekken waar de interesses liggen maar ook om erachter te komen wat de kinderen al weten. Deze startactiviteiten worden verdeeld over meerdere dagen.

De introductie

Ik heb wat sportkleren in een tas meegenomen van mijn zoon, die op voetbal zit. Een kind is model en past de kleren aan. Een keepersshirt, een zwembroek, voetbalkousen, basketbalschoenen en een volleybal. Al snel komen er reacties van de kinderen: Dit kan toch niet? Een keeper heeft geen zwembroek aan en voetbalt natuurlijk niet met een volleybal.

Maar bij welke sporten horen de spullen dan? We bespreken dit eerst in de groep. Samen komen we op de sporten: Zwemmen, voetbal, basketbal en volleybal. De laatste twee sporten zijn wat onbekender, maar toch zijn er kinderen die het weten. De kinderen krijgen een werkblad met de plaatjes van de sportkleren.

Middels slowteaching schrijven de kinderen de woorden mee die ik op het bord schrijf. Onder de woorden tekenen de kinderen de sport. De plaatjes van basketbal en volleybal staan er al bij, die mogen de kinderen inkleuren.

Woordweb

Welke sporten kennen we nog meer? We schrijven of tekenen ze in een woordweb. Ook mogen ze woorden die met sport te maken hebben in het woordweb zetten. De kinderen schrijven de woorden zoals zij denken hoe het moet en we gaan uit van wat ze kunnen. Kinderen helpen elkaar ook om de woorden te schrijven. Er wordt veel overlegd en samengewerkt. Daarna schrijft de juf de gevonden woorden op het bord. Er ontstaat een mooi beeld van wat we al weten.

De wedstrijd van schildpad en haas

Ik heb het boek; De wedstrijd van schildpad en haas. We bekijken de voorkant en de titel en bespreken waar het boek over zal gaan. Ik heb de voorkant van het boek op het digibord gezet en de vraag is: wat zie je? Een schildpad. De vraag: ‘Welke is de schildpad?’ lijkt misschien overbodig, maar het blijkt dat het nog best lastig is om iets wat als vanzelfsprekend gezien wordt in woorden te vatten.

Ik vraag te omschrijven welke de schildpad is. Hetzelfde bij haas; hoe weet je dat het haas is? We komen in gesprek of het een eerlijke wedstrijd is. De kinderen denken van niet omdat een haas natuurlijk veel sneller is dan een schildpad. Een paar kinderen kennen het boek al en weten dat schildpad wint, maar kunnen niet goed vertellen hoe dat kan.

Wie gaat er winnen?

Toch denken de meeste kinderen dat haas gaat winnen. N.a.v. de titel voeren we een interessant gesprek over wedstrijden bij sporten. We komen erachter dat de wedstrijden niet bij alle sporten hetzelfde zijn. We bespreken dat je altijd tegen anderen moet spelen/sporten.

Soms in een team, soms alleen. De ene keer kun je met één wedstrijd iets winnen, soms moet je meerdere wedstrijden spelen. Soms win je een medaille, soms een beker, soms een schaal of een rozet. Dit vraagt om er later op door te gaan en uit te diepen.

Ik lees het prentenboek voor en we komen tot een verrassende conclusie. Het ging niet helemaal zoals we dachten. We bespreken hoe het kan dat schildpad gewonnen heeft. De kinderen denken dat het komt omdat haas gevallen was. Hier gaan we later op door, want daar is nog meer over te zeggen.

Verteltafel

Ik heb het idee om een verteltafel maken van dit prentenboek. Daarvoor is het belangrijk dat het vaak voorgelezen wordt. De tweede keer dat ik het voorlees, gaan we wat dieper in op de personages.

De kinderen krijgen een kleurplaat en terwijl er voorgelezen wordt, kleuren de kinderen de personages als ze in het verhaal voorkomen. Dit is een fijne, rustige activiteit. Als het boek uit is, vullen we samen het wie-wat-waarschema in.

Omdat de kinderen al de personages gekleurd hebben, moeten ze die zelf invullen bij ‘Over wie gaat het?’. De twee andere vragen doen we samen: Wat gebeurde er? En Waar gebeurde het? Zo zijn de kinderen actief betrokken bij het verwerken van het prentenboek.

Geef een antwoord